Uitspraak
200200410/1is de enkele omstandigheid dat iemand eigenaar is van gronden die in de onmiddellijke nabijheid zijn gelegen van een bouwlocatie voldoende om hem aan te merken als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Uit de door het college en de stichting overgelegde tekeningen en het verhandelde ter zitting is evenwel gebleken dat tussen de bij [appellant F] in eigendom zijnde gronden en de percelen diverse andere gronden zijn gelegen en dat eerstgenoemde gronden niet in de onmiddellijke nabijheid van de bouwlocatie zijn gelegen. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college de door [appellant F] tegen de besluiten van 25 oktober 2010 en 28 oktober 2010 gemaakte bezwaren ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De gestelde omstandigheid dat de bouwplannen onderdeel uitmaken van een lijnopstelling met drie windturbines, brengt, anders dan [appellant F] betoogt, niet met zich dat de jurisprudentie van de Afdeling over het zogeheten nabijheidscriterium in dit geval niet zonder meer kon worden toegepast.