Uitspraak
200804079/1), dienen juist omdat een boete als hier bedoeld een punitieve sanctie betreft, aan de bewijsvoering van de overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen te worden gesteld.
Raad van State
Bij besluit van 7 april 2011 legde de minister een boete van €16.000 op aan voormalige vennoten van een massagesalon wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete betrof het laten verrichten van arbeid door een vreemdeling zonder tewerkstellingsvergunning. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk en wees het bezwaar van de minister grotendeels af, waarbij de boete werd gematigd tot €4.000.
De appellanten gingen in hoger beroep bij de Raad van State en betwistten onder meer dat de vreemdeling de geconstateerde werkzaamheden had verricht. De Raad van State oordeelde dat het boeterapport en de bijbehorende proces-verbalen onvoldoende bewijs bevatten dat de vreemdeling daadwerkelijk arbeid had verricht. De verklaringen van opsporingsambtenaren waren niet direct en bevestigend, en de appellanten ontkenden de werkzaamheden gemotiveerd.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de eerdere uitspraak en het boetebesluit, en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Hiermee is het boetebesluit wegens onvoldoende bewijs van overtreding van de Wav komen te vervallen.
Uitkomst: Het boetebesluit wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.