ECLI:NL:RVS:2012:BY5575
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling recht op verblijf voor genaturaliseerde EU-burger met dubbele nationaliteit
De vreemdeling, houder van de Portugese en Nederlandse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister van Justitie werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de richtlijn 2004/38/EG van toepassing is op burgers van de Unie die hun recht van vrij verkeer hebben uitgeoefend. De vreemdeling had de Portugese nationaliteit en had zijn recht van vrij verkeer uitgeoefend, waardoor hij als begunstigde van de richtlijn moet worden beschouwd, ondanks zijn latere naturalisatie tot Nederlander.
De Raad stelde vast dat het beleid van de staatssecretaris, waarbij het bezit van de Nederlandse nationaliteit de rechten ontleend aan het Unierecht zou beperken, niet in overeenstemming is met de jurisprudentie van het Hof van Justitie. Daarom werd het besluit van 25 februari 2011 vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog gegrond verklaard. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de staatssecretaris vernietigd, waarbij de vreemdeling rechten ontleent aan het Unierecht ondanks dubbele nationaliteit.