Uitspraak
200106318/1brengt het punitieve karakter van de onderhavige boete met zich dat aan de bewijsvoering van de overtreding en aan de motivering van het sanctiebesluit strenge eisen moeten worden gesteld.
Raad van State
De minister legde aan [wederpartij] een boete van €24.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning arbeid verrichtten aan boord van het zeeschip [schip]. De rechtbank verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond en vernietigde het boetebesluit, waarbij zij oordeelde dat de werkzaamheden van de vreemdelingen als schepelingendienst vielen en dus onder een uitzondering van de Wav.
De minister ging in hoger beroep en betoogde dat de werkzaamheden niet als schepelingendienst konden worden aangemerkt, omdat het schip in de betreffende periode niet vaargereed was en de werkzaamheden vooral bestonden uit reparatie en renovatie, uitgevoerd door specialisten. De minister stelde dat de vreemdelingen niet in het kader van het dagelijkse patroon van zorg voor het schip werkten.
De Raad van State oordeelde dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de werkzaamheden niet vielen onder het dagelijkse patroon van zorg voor het schip, de bemanning, de lading en de passagiers. De verklaringen van [wederpartij] dat de vreemdelingen zich bezighielden met gebruikelijke onderhoudswerkzaamheden zoals schuren, schilderen en schoonmaken, en dat zij niet konden overnachten vanwege renovaties, waren aannemelijk. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep van de minister ongegrond.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De boeteoplegging van €24.000 bleef daarmee in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de boete van €24.000 blijft in stand.