ECLI:NL:RVS:2012:BY6368
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid inbewaringstelling vreemdeling met rechtmatig verblijf
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen een uitspraak van de rechtbank die zijn inbewaringstelling op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 heeft bevestigd. De vreemdeling voerde aan dat de toepasselijkheid van artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 onjuist was, dat er geen terugkeerbesluit was genomen en dat hij zich niet aan een vertrektermijn hoefde te houden.
De Afdeling oordeelde dat artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000 wel van betekenis is voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de inbewaringstelling, ook al ziet dit artikel formeel op vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. De minister had de bevoegdheid tot inbewaringstelling op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Verder was geen nieuw terugkeerbesluit vereist omdat de vreemdeling rechtmatig verblijf had vanwege zijn intentie een asielaanvraag in te dienen.
De rechtbank had ook terecht geoordeeld dat de vreemdeling zich niet aan zijn meldplicht had gehouden, wat een geldige grond voor inbewaringstelling vormt. Hoewel de vreemdeling wees op zijn verblijf bij een zwangere partner die mantelzorg behoeft, was dit onvoldoende om de belangenafweging van de minister en rechtbank te weerleggen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De inbewaringstelling van de vreemdeling met rechtmatig verblijf is rechtmatig en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.