ECLI:NL:RVS:2012:BW4348
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewaring vreemdeling in het kader van overdracht aan andere lidstaat volgens Terugkeerrichtlijn
De zaak betreft een vreemdeling die in bewaring is gesteld met het oog op overdracht aan België. De vreemdeling stelde dat de bewaring onrechtmatig was omdat geen terugkeerbesluit was genomen, zoals vereist volgens de Terugkeerrichtlijn.
De Raad van State overwoog dat artikel 6, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn een uitzondering vormt waarbij de lidstaat waar de vreemdeling is aangetroffen geen terugkeerbesluit hoeft te nemen zolang concrete aanknopingspunten bestaan voor overdracht aan een andere lidstaat. Deze praktijk bestond reeds voor de inwerkingtreding van de richtlijn en wordt gehandhaafd.
De Raad concludeerde dat artikel 15 van Pro de richtlijn, dat bewaring slechts toestaat bij een lopende terugkeerprocedure, niet van toepassing is omdat België verantwoordelijk wordt gehouden voor de terugkeer. Artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 biedt een nationale grondslag voor bewaring in dit kader.
Hoewel de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de richtlijn niet van toepassing was, leidt dit niet tot vernietiging van de uitspraak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
De zaak verduidelijkt de toepassing van de Terugkeerrichtlijn en nationale wetgeving bij bewaring van vreemdelingen in het kader van overdracht tussen lidstaten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring van de vreemdeling met het oog op overdracht aan België bevestigd.