ECLI:NL:RVS:2013:1053
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep en ongegrondverklaring beroep verblijfsvergunning vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die aanvankelijk op 6 november 2009 werd afgewezen door de staatssecretaris van Justitie. Na bezwaar en een tussenuitspraak van de rechtbank werd het besluit aangevuld, maar het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing leidde uiteindelijk tot een nieuwe beslissing op 22 april 2013, waarbij de verblijfsvergunning alsnog werd verleend met terugwerkende kracht vanaf 20 april 2010.
De vreemdeling stelde dat de vergunning al per 27 januari 2010 had moeten ingaan, de datum van de hoorzitting. De Raad overwoog echter dat de vreemdeling destijds nog niet alle gevraagde stukken had aangeleverd, waardoor de aanvraag niet compleet was en de staatssecretaris terecht geen vergunning met ingang van die datum had verleend.
Verder werd het verzoek van de vreemdeling om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn afgewezen, omdat de totale procedure binnen vijf jaar was afgerond, wat als redelijk werd beschouwd.
De Raad verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk omdat de vreemdeling geen belang had bij een inhoudelijke beoordeling, en verklaarde het beroep tegen het besluit van 22 april 2013 ongegrond. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep ongegrond, met afwijzing van schadevergoeding en toewijzing van proceskosten aan de vreemdeling.