ECLI:NL:RVS:2013:1108
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeldigverklaring rijbewijs wegens onvoldoende medewerking aan geschiktheidsonderzoek
Appellant werd op 27 februari 2011 aangehouden op verdenking van rijden onder invloed, waarna het CBR het rijbewijs ongeldig verklaarde wegens onvoldoende medewerking aan een onderzoek naar rijgeschiktheid. Het eerste onderzoek vond plaats op 16 juli 2011 en het tweede op 17 november 2011, waarbij artsen een diagnose van alcoholmisbruik stelden en aannemelijk achtten dat appellant was gestopt met alcoholgebruik.
Appellant maakte gebruik van zijn recht tot blokkering van een aangepast verslag van bevindingen, dat was gewijzigd na een verzoek van de medisch adviseur van het CBR om verduidelijking. De rechtbank oordeelde dat deze aanpassing binnen de vergewisplicht van het CBR viel en dat het aangepaste verslag onafhankelijk en objectief bleef.
Appellant voerde aan dat de medisch adviseur de psychiater onder druk had gezet, waardoor het verslag niet als onafhankelijk kon gelden en hij terecht zijn blokkeringsrecht had ingeroepen. De Afdeling verwierp dit betoog en bevestigde dat het CBR terecht het rijbewijs ongeldig heeft verklaard wegens het niet verlenen van de vereiste medewerking.
De Afdeling stelde vast dat de diagnose alcoholmisbruik onveranderd bleef en dat de medisch adviseur slechts om verduidelijking had gevraagd. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het rijbewijs van appellant blijft ongeldig verklaard wegens onvoldoende medewerking aan het onderzoek naar rijgeschiktheid.