ECLI:NL:RVS:2013:1205
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- G. van der Wiel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging inbewaringstelling vreemdeling en minderjarig kind wegens gebrekkige belangenafweging
Bij besluiten van 22 juli 2013 zijn de vreemdeling en haar minderjarig kind in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde dat de rechtbank ten onrechte geen belangenafweging had vereist, vooral gezien de minderjarige leeftijd van haar kind.
De Raad van State overwoog dat volgens het beleid van de staatssecretaris voorafgaand aan inbewaringstelling van gezinnen met minderjarige kinderen een concrete belangenafweging moet plaatsvinden, ongeacht of sprake is van Dublinclaimanten. Uit het dossier bleek echter dat deze belangenafweging ontbrak en dat de motivering van de inbewaringstelling niet concreet was.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregelen reeds waren opgeheven, werd geen bevel tot opheffing gegeven. Tevens werd een vergoeding toegekend voor de periode van inbewaringstelling en werden proceskosten aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de inbewaringstelling van de vreemdeling en haar minderjarig kind onrechtmatig bevonden.