ECLI:NL:RVS:2013:1519
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing dwangsom en openbaarmaking informatie Wob-verzoek
In deze zaak heeft appellante een verzoek ingediend om betaling van een dwangsom vanwege het niet tijdig verstrekken van informatie door de minister. Het verzoek werd afgewezen, evenals het daarop volgende bezwaar en beroep bij de rechtbank. Appellante stelde dat haar verzoek van 20 juni 2011 een Wob-verzoek was, maar de minister en rechtbank oordeelden dat dit verzoek onderdeel was van een beroepsprocedure tegen een boete en niet als Wob-verzoek kon worden aangemerkt.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat het besluit tot afwijzing van de dwangsom en het besluit op het Wob-verzoek onbevoegd zijn genomen, omdat de mandaatregeling op dat punt in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. De Afdeling vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Ondanks de onbevoegdheid van het genomen besluit, is de Afdeling van oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven omdat de bevoegdheid inmiddels correct is toegekend door een gewijzigde mandaatregeling. De Afdeling veroordeelt de minister tot vergoeding van proceskosten en vergoedt het betaalde griffierecht aan appellante.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot afwijzing van de dwangsom wordt vernietigd maar de rechtsgevolgen blijven in stand.