ECLI:NL:RVS:2013:1575
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Nederlanderschap wegens verzwijging duurzame relatiebreuk
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft op 31 oktober 2011 het Nederlanderschap van appellant ingetrokken wegens het verzwijgen van de beëindiging van zijn duurzame en exclusieve relatie met zijn partner tijdens de optieprocedure. De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze intrekking ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
Appellant voerde aan dat hij geen relevante feiten had verzwegen omdat hij en zijn partner na het wegvallen van de fysieke relatie in februari 2008 nog samenwoonden en een gemeenschappelijke huishouding voerden. Tevens stelde hij dat het recht op respect voor privéleven volgens artikel 8 EVRM Pro hem beschermt. De Raad oordeelde dat de relatie niet meer duurzaam en exclusief was omdat appellant een relatie met een andere vrouw had, waardoor hij de beëindiging van de relatie met zijn partner had moeten melden.
Verder stelde appellant dat hij staatloos zou zijn geworden door de intrekking, maar de Raad stelde vast dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij de Surinaamse nationaliteit niet kon herkrijgen en dat staatloosheid ingevolge artikel 14, zesde lid, RWN niet aan intrekking in de weg staat. De belangenafweging van de staatssecretaris werd als kenbaar en redelijk beoordeeld.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van het Nederlanderschap van appellant wordt bevestigd wegens verzwijging van de beëindiging van een duurzame en exclusieve relatie.