Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[eiser/verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1992, van Chinese nationaliteit, eiser/verzoeker
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
De beoordeling van de rechtbank
Heeft verweerder verblijfsvergunning II mogen intrekken?
Heeft verweerder verblijfsvergunning III mogen intrekken?
Vast staat dat eiser [B] in mei 2018 zwanger heeft gemaakt. Reeds deze omstandigheid brengt met zich mee dat geen sprake meer was van een exclusieve relatie met [A] . Anders dan eiser heeft betoogd, moet het begrip ‘exclusief’ objectief worden uitgelegd [9] en betekent het: monogaam. De ontwikkelingen in de relatie tussen eiser en [B] nadien, vormen een verdere onderbouwing van de conclusie dat in ieder geval vanaf mei 2018 geen sprake meer was van een duurzame en exclusieve relatie tussen eiser en [A] . Eiser is namelijk, nadat hij in kennis is gesteld van de zwangerschap van [B] , meegegaan naar de afspraken bij de verloskundige, heeft [B] in huis gehaald en voor haar gezorgd nadat in augustus 2018 de zwangerschap is afgebroken en heeft de medische kosten voor [B] betaald. De precieze aanvangsdatum van de relatie met [B] kan in het midden blijven.
Voor zover eiser stelt dat hij op andere gronden ook rechtmatig verblijf zou hebben gehad, volgt de rechtbank hem niet. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt dat hij op andere gronden een verblijfsvergunning heeft aangevraagd en toegekend heeft gekregen.