ECLI:NL:RVS:2013:1602
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De minister voor Immigratie en Asiel wees aanvragen van twee vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond, vernietigde de besluiten en bepaalde dat de minister nieuwe besluiten moest nemen met inachtneming van de overwegingen.
De minister stelde hoger beroep in bij de Raad van State, die oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet had meegewogen dat de vreemdelingen tegenstrijdige verklaringen hadden afgelegd over het onderduiken van een van hen. Desondanks faalde dit verweer omdat de rechtbank haar oordeel ook op andere gronden had gebaseerd die niet waren bestreden.
Daarnaast stelde de minister dat een nieuw asielmotief, de bekering tot het christendom, niet mocht worden betrokken omdat dit niet in de bestuurlijke fase was aangevoerd en niet was gerechtvaardigd. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank dit motief terecht als asielmotief had aangemerkt, maar niet had onderkend dat artikel 83 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 dit alleen toestaat als het motief tijdig wordt gerechtvaardigd.
Het hoger beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een verbetering van de motivering. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de vreemdelingen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de motivering.