ECLI:NL:RVS:2013:1712
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling niet achterwege blijft ondanks medische situatie
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees een aanvraag af van een vreemdeling die op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 verzocht om uitstel van uitzetting vanwege haar medische situatie. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA), waarop het besluit van de staatssecretaris was gebaseerd, voldoende zorgvuldig en inzichtelijk was. Hoewel de behandelaars van de vreemdeling stelden dat effectieve behandeling in het land van herkomst Armenië niet mogelijk zou zijn vanwege haar PTSS en depressieve klachten, vond het BMA dat er in Armenië wel adequate behandelmogelijkheden bestaan en dat de vreemdeling kan reizen mits medische voorzieningen worden getroffen.
De Afdeling stelde vast dat het BMA zich niet concreet hoefde uit te laten over de noodzaak van een als veilig ervaren behandelomgeving, omdat de informatie van de behandelaars onvoldoende concreet was. Ook het beroep van de vreemdeling dat zij afhankelijk is van een steunsysteem werd door het BMA adequaat beoordeeld. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van uitstel van uitzetting blijft in stand.