ECLI:NL:RVS:2013:1801

Raad van State

Datum uitspraak
30 oktober 2013
Publicatiedatum
6 november 2013
Zaaknummer
201210498/1/V3 en 201210502/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • E. Steendijk
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 3:2 AwbArt. 8:54 AwbArt. 85 Vreemdelingenwet 2000Art. 91 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning asiel voor Tibetanen wegens risico op schending artikel 3 EVRM

De vreemdelingen, beiden van Tibetaanse afkomst met de Chinese nationaliteit, hadden een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvragen bij besluiten van januari en februari 2012 af. De rechtbank verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdelingen aannemelijk hadden gemaakt dat zij bij terugkeer naar China een reëel risico liepen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De vreemdelingen stelden dat het enkele feit dat zij etnische Tibetanen zijn, voldoende is om een risico op ondervraging, arrestatie en detentie te rechtvaardigen. De rechtbank had dit onvoldoende onderzocht.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank niet had onderkend dat de minister zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt kon stellen dat de vreemdelingen geen reëel risico liepen. Het ambtsbericht China wees uit dat Tibetanen bij terugkeer routinematig worden ondervraagd en dat informatie over hun behandeling beperkt is. Daarom werden de beroepen gegrond verklaard, de uitspraken van de rechtbank vernietigd en de besluiten van de minister vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De staatssecretaris werd tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten aan de vreemdelingen. Hiermee werd de bescherming van de vreemdelingen tegen mogelijke schendingen van fundamentele rechten bij terugkeer naar hun land van herkomst bevestigd.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de afwijzing van de verblijfsvergunningen en verklaart de beroepen gegrond wegens onvoldoende beoordeling van het risico op schending van artikel 3 EVRM.

Uitspraak

201210498/1/V3 en 201210502/1/V3
Datum uitspraak: 30 oktober 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:
1. [vreemdeling sub 1],
2. [vreemdeling sub 2],
appellanten,
tegen de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 12 oktober 2012 in zaken nrs. 12/7134 en 12/8039 in de gedingen tussen:
de vreemdelingen
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel.
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 31 januari 2012 en 9 februari 2012 heeft de minister de aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij onderscheiden uitspraken van 12 oktober 2012 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraken zijn aangehecht.
Tegen deze uitspraken hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie heeft verweerschriften ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. Tussen partijen is niet in geschil dat de vreemdelingen afkomstig zijn uit Tibet en de Chinese nationaliteit hebben.
3. In de enige grief van hun hogerberoepschriften klagen de vreemdelingen onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar hun land van herkomst een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM).
Daartoe betogen de vreemdelingen, samengevat weergegeven en onder verwijzing naar het Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 nr. 2010/16, dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het enkele feit dat zij etnische Tibetanen zijn voldoende is om te worden ondervraagd bij terugkeer en dat deze ondervraging kan overgaan in arrestatie en detentie. De rechtbank heeft weliswaar overwogen dat de situatie van Tibetanen niet rooskleurig is, maar zij heeft nagelaten te beoordelen hoe de situatie van terugkerende Tibetanen is en of zij bij terugkeer een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM, aldus de vreemdelingen.
3.1. De staatssecretaris heeft zich in de besluiten van 31 januari 2012 en 9 februari 2012 en de daarin ingelaste voornemens, voor zover thans van belang, op het standpunt gesteld dat de enkele omstandigheid dat de vreemdelingen afkomstig zijn uit Tibet en behoren tot de Tibetaanse bevolkingsgroep niet voldoende is om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
3.2. In eerste aanleg hebben de vreemdelingen, in het kader van hun beroep op artikel 3 van Pro het EVRM, verwezen naar het algemeen ambtsbericht inzake China van de minister van Buitenlandse Zaken van juni 2010 (hierna: het ambtsbericht). Dit ambtsbericht vermeldt dat China geen bijzondere aandacht heeft voor teruggekeerde asielzoekers, met uitzondering van personen afkomstig uit, voor zover thans van belang, Tibet. De laatsten worden bij terugkeer routinematig ondervraagd over hun verblijf in het buitenland. Voorts vermeldt het ambtsbericht dat over de behandeling van Tibetanen bij terugkeer naar China maar zeer beperkt informatie beschikbaar is, op basis waarvan het niet mogelijk is hierover algemene uitspraken te doen.
3.3. In aanmerking genomen de inhoud van het ambtsbericht en onder verwijzing naar de uitspraak van 9 januari 2013 in zaak nr. 201109034/1/V2 overweegt de Afdeling dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris zich niet zonder nader onderzoek op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij als terugkerende Tibetanen een reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM bij terugkeer naar China.
De grief slaagt in zoverre.
4. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraken leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
5. De hoger beroepen zijn kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraken dienen te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen onder 3.3. is overwogen, de beroepen van de vreemdelingen tegen de onderscheiden besluiten van 31 januari 2012 en 9 februari 2012 alsnog gegrond verklaren en deze besluiten wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb vernietigen.
6. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart de hoger beroepen gegrond;
II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 12 oktober 2012 in zaken nrs. 12/7134 en 12/8039;
III. verklaart de door de vreemdelingen bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen gegrond;
IV. vernietigt de besluiten van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel van 31 januari 2012, kenmerk 1108041122, en 9 februari 2012, kenmerk 1108051047;
V. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van de beroepen en de hoger beroepen opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.832,00 (zegge: tweeduizend achthonderdtweeëndertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Van Laar
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 30 oktober 2013
551-644.