ECLI:NL:RVS:2013:1820
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing verblijfsvergunning asiel Tibetaan wegens strijd met artikel 3 EVRM
De vreemdeling, een Tibetaan, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie en Asiel op 15 september 2011 werd afgewezen. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond op 5 december 2012. Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer naar China een reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. De Afdeling verwees naar een eerdere uitspraak waarin was vastgesteld dat Tibetanen wel degelijk een reëel risico lopen op dergelijke behandeling, en dat de staatssecretaris dit niet zonder nader onderzoek mocht veronderstellen.
Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en het beroep tegen het besluit van 15 september 2011 alsnog gegrond verklaard. Het besluit werd vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 1.416,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning asiel wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3 EVRM.