ECLI:NL:RVS:2013:1823
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- I.S. Vreken-Westra
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing paspoortaanvraag wegens twijfel aan Nederlanderschap
Appellant had een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort, welke door de minister op 24 november 2009 niet in behandeling werd genomen. De minister stelde dat er twijfel bestond over het Nederlanderschap van de moeder van appellant, wat ook twijfel opriep over het Nederlanderschap van appellant zelf. Dit was gebaseerd op verklaringen en documenten waaruit bleek dat de moeder mogelijk de Dominicaanse nationaliteit had verkregen door optie, waardoor zij het Nederlanderschap zou hebben verloren.
Appellant voerde aan dat hij voldoende bewijs had geleverd van het Nederlanderschap van zijn moeder en dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten. De rechtbank oordeelde echter dat de bewijslast bij appellant lag en dat hij niet had kunnen aantonen dat de twijfel over het Nederlanderschap van zijn moeder ongegrond was. De rechtbank vond dat de minister terecht de aanvraag buiten behandeling had gesteld op grond van de Paspoortuitvoeringsregeling Buitenland 2001.
De Raad van State bevestigde dit oordeel en wees erop dat het besluit van de minister feitelijk neerkwam op een inhoudelijke afwijzing van de aanvraag en niet op een buitenbehandelingstelling in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de paspoortaanvraag bevestigd.