ECLI:NL:RVS:2013:2221
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling niet-toekenning machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende gezinsband
De vreemdelingen hebben een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij de referent te verblijven, die een verblijfsvergunning asiel bezit. De minister van Buitenlandse Zaken wees deze aanvragen af, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar de minister ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte een beleidswijziging na het besluit had betrokken bij de beoordeling, waardoor het hoger beroep gegrond werd verklaard. Vervolgens werd het besluit van 13 oktober 2011 getoetst aan de beroepsgronden. De Afdeling vond dat het gehoor van vreemdeling 1 op de ambassade zorgvuldig was afgenomen en dat de staatssecretaris terecht twijfelde aan de feitelijke gezinsband vanwege tegenstrijdigheden in verklaringen over opleiding, werkzaamheden en huwelijksdetails.
Verder werd geoordeeld dat het aanbieden van DNA-onderzoek geen gerechtvaardigde verwachting schept dat de gezinsband als vaststaand wordt beschouwd. Ook was de richtlijn inzake gezinshereniging niet van toepassing. Ten slotte was het niet horen in bezwaar geoorloofd. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de mvv-aanvragen blijft in stand.