201303126/1/A3.
Datum uitspraak: 4 december 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Den Haag,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 februari 2013 in zaak nr. 12/9589 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
Procesverloop
Bij besluit van 13 maart 2012 heeft het college een besluit van 17 januari 2012 tot aanwijzing plaatsen betaald parkeren en toepassing wielklem gewijzigd.
Bij besluit van 29 augustus 2012 heeft het het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 20 februari 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2013, waar [appellant] in persoon en het college, vertegenwoordigd door S. Pex LL.B en mr. W.G.C. Wijsman, beiden werkzaam in dienst van de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) kan, in afwijking van artikel 8:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), tegen een krachtens de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de bestuursrechter worden ingesteld, indien het betreft:
a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschreven verrekening, of
b. een voor bezwaar vatbare beschikking.
Ingevolge artikel 8:105 van de Awb, zoals die luidde ten tijde van belang, wordt het hoger beroep ingesteld bij de Afdeling, tenzij een andere hogerberoepsrechter ingevolge hoofdstuk 4 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak (hierna: de Bevoegdheidsregeling) bevoegd is.
Ingevolge artikel 12 van de Bevoegdheidsregeling kan tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent een besluit, genomen krachtens artikel 26 van de Awr, hoger beroep worden ingesteld bij een gerechtshof.
2. De rechtbank heeft overwogen dat het college het door [appellant] gemaakte bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, nu tegen het besluit van 13 maart 2012 ingevolge artikel 26 van de Awr geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld.
3. De Afdeling dient ambtshalve te onderzoeken of zij bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen.
4. Bij het besluit van 13 maart 2012 heeft het college, voor zover thans van belang, de "Groente- en Fruitmarkt", het "Puntje van Moerwijk-Noord", de "Heesterbuurt" en de "Vruchtenbuurt" aangewezen als gebieden, waar tegen betaling van parkeerbelastingen mag worden geparkeerd. Het vindt in zoverre zijn grondslag in de Verordening parkeerbelastingen 2008.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer uitspraak van 5 november 2008 in zaak nr. 200800176/1), vindt een verordening, strekkende tot het heffen van parkeerbelasting, haar grondslag in artikel 225 van de Gemeentewet. Ingevolge artikel 231, eerste lid, van die wet geschieden heffing en invordering van parkeerbelasting met toepassing van de Awr, als ware die belasting een rijksbelasting. Het besluit van 13 maart 2012 dient daarom in zoverre te worden aangemerkt als genomen krachtens de belastingwet, als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de Awr. Het in artikel 8:105 van de Awb, gelezen in verbinding met artikel 12 van de Bevoegdheidsregeling, neergelegde stelsel brengt mee dat tegen een uitspraak van de rechtbank omtrent een besluit, genomen krachtens artikel 26 van de Awr, hoger beroep kan worden ingesteld bij een gerechtshof.
5. Dat betekent dat de Afdeling onbevoegd is om van het hoger beroep kennis te nemen. Het hogerberoepschrift zal met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Awb worden doorgezonden naar het Gerechtshof Den Haag.
6. Van vast te stellen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.
7. Met toepassing van artikel 8:114, tweede lid, van de Awb zal de Afdeling bepalen dat het in hoger beroep door [appellant] betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State wordt terugbetaald.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen;
II. verstaat dat het door [appellant] voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 239,00 (zegge: tweehonderdnegenendertig euro) door de secretaris van de Raad van State aan [appellant] wordt terugbetaald.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, voorzitter, en mr. A. Hammerstein en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken-Westra, ambtenaar van staat.
w.g. Loeb w.g. Vreken-Westra
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013
434-671.