AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling hoger beroep tegen besluit betaald parkeren Brusselselaan Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde bij besluit van 5 juli 2005 een gedeelte van de Brusselselaan aan als gebied waar tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd en regelde het parkeren met vergunningen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het college niet-ontvankelijk werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Hiertegen stelde appellant hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak beoordeelde haar bevoegdheid en oordeelde dat het deel van het besluit dat betrekking heeft op het heffen van parkeerbelasting (deel I) is genomen op grond van een belastingwet, waardoor alleen het gerechtshof bevoegd is voor hoger beroep. De Afdeling verklaarde zich daarom onbevoegd voor dat deel en zond het hoger beroep door aan het gerechtshof.
Voor het deel van het besluit dat betrekking heeft op parkeervergunningen (deel III) is de Afdeling wel bevoegd. Dit deel wordt als begunstigend voor appellant gezien, die over een parkeervergunning beschikt. Aangezien appellant geen belang heeft bij gegrondverklaring van zijn bezwaar tegen dit deel, verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 5 november 2008.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd voor het hoger beroep tegen het parkeerbelastingbesluit en bevestigt de uitspraak van de rechtbank over het parkeervergunningenbesluit.
Uitspraak
200800176/1.
Datum uitspraak: 5 november 2008
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak in zaak nr. 06/4763 van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 november 2007 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2005 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college), samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, een nader omschreven gedeelte van de Brusselselaan te Den Haag aangewezen als gebied waar op bepaalde tijden tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd, besloten dat op dit gedeelte met nader aangeduide vergunningen mag worden geparkeerd en bepaald dat dit besluit in werking treedt op 1 september 2005.
Bij besluit van 25 april 2006 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 19 november 2007, verzonden op 27 november 2007, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 januari 2008, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 september 2008, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. J.E.W. Tieleman, ambtenaar in dienst van de gemeente Den Haag, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 26, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), kan, in afwijking van artikel 8:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) tegen een ingevolge de belastingwet genomen besluit slechts beroep bij de rechtbank worden ingesteld, indien het betreft:
a. een belastingaanslag, daaronder begrepen de in artikel 15 voorgeschrevenPro verrekening, of
b. een voor bezwaar vatbare beschikking.
Ingevolge artikel 27h, eerste lid, voor zover thans van belang, kan de belanghebbende die bevoegd was beroep bij de rechtbank in te stellen bij het gerechtshof hoger beroep instellen tegen de uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Awb.
2.2. Het besluit van 5 juli 2005 bestaat uit vijf van elkaar te onderscheiden delen, aangeduid als deel I tot en met deel V. [appellant] kan zich niet verenigen met deel I en deel III van dit besluit. Met deel I van het besluit wordt een nader omschreven gedeelte van de Brusselselaan aangewezen als gebied waar op bepaalde tijden tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd. In deel III van het besluit wordt bepaald dat in dit gebied ook met parkeervergunningen mag worden geparkeerd.
2.3. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of zij bevoegd is van het hoger beroep kennis te nemen.
2.3.1. Deel I van het besluit van 5 juli 2005 vindt zijn grondslag in de Verordening Parkeerbelastingen 1992. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 3 januari 2007 in zaak nr. 200601827/1), vindt een verordening strekkende tot het heffen van parkeerbelasting haar grondslag in artikel 225 vanPro de Gemeentewet, waarin de bevoegdheid van de gemeente om parkeerbelasting te heffen is neergelegd. Ingevolge artikel 231, eerste lid, van die wet, geschieden heffing en invordering van die belasting met toepassing van de Awr, als ware die belasting een rijksbelasting. Het besluit van 5 juli 2005 dient daarom in zoverre te worden aangemerkt als genomen ingevolge de belastingwet, zodat hoofdstuk V van de Awr hierop van overeenkomstige toepassing is. Het in dit hoofdstuk neergelegde systeem van rechtsbescherming brengt mee dat belanghebbenden die ingevolge artikel 26 vanPro de Awr bevoegd zijn bij de rechtbank beroep in te stellen, bij het Gerechtshof hoger beroep kunnen instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6. van de Awb. De uitspraak van de rechtbank op het beroep van [appellant] is een uitspraak als daar bedoeld. Gelet hierop, is de Afdeling in zoverre niet bevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
2.3.2. De Afdeling zal het hogerberoepschrift voor zover dit is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over deel I van het in bezwaar gehandhaafde besluit, met toepassing van artikel 6:15 vanPro de Awb doorzenden aan het Gerechtshof 's-Gravenhage.
2.3.3. Deel III van het besluit van 5 juli 2005 vindt zijn grondslag in de Parkeerverordening 1992. Dit deel van het besluit is niet aan te merken als genomen ingevolge de belastingwet. Voor zover het hoger beroep van [appellant] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de niet-ontvankelijkverklaring van zijn bezwaar tegen dit besluitonderdeel, is de Afdeling bevoegd hiervan kennis te nemen.
2.4. Het met deel I van het besluit van 5 juli 2005 ingevoerde regime van betaald parkeren brengt mee dat voor in het betrokken gebied geparkeerde voertuigen bij een parkeerautomaat parkeerbelasting dient te worden betaald. Houders van een parkeervergunning zijn van deze verplichting vrijgesteld en kunnen in dit gebied tegen een gereduceerd tarief parkeren. Vaststaat dat [appellant] over een parkeervergunning kan beschikken en ook beschikt. Gegeven het geldende regime van betaald parkeren, kan deel III van het besluit van 5 juli 2005 dan ook niet anders worden aangemerkt dan als een [appellant] begunstigend besluitonderdeel. Nu niet valt in te zien welk belang [appellant] zou hebben bij gegrondverklaring van zijn bezwaar tegen dit onderdeel van het bestreden besluit, heeft het college zijn bezwaar in zoverre terecht, zij het op andere gronden, niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft het door [appellant] daartegen ingestelde beroep terecht, zij het evenzeer op andere gronden, ongegrond verklaard.
2.5. Het hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank over deel III van het in bezwaar gehandhaafde besluit is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient in zoverre, met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 november 2007 in zaak nr. 06/4763, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 25 april 2006 ongegrond is verklaard, in zoverre daarbij de aanwijzing van een gedeelte van de Brusselselaan te Den Haag als gebied waar op bepaalde tijden tegen betaling van parkeerbelasting mag worden geparkeerd is gehandhaafd;
II. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, voorzitter, en mr. C.W. Mouton en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.