Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2013:2258

Raad van State

Datum uitspraak
4 december 2013
Publicatiedatum
4 december 2013
Zaaknummer
201303729/1/A4
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • W. Sorgdrager
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4 Afvalstoffenverordening 2010Art. 9 Afvalstoffenverordening 2010
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen spoedeisende bestuursdwang voor onjuist aanbieden huishoudelijk afval

Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft op 23 januari 2013 schriftelijk bevestigd dat op 4 januari 2013 spoedeisende bestuursdwang is toegepast tegen appellant wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen. De bestuursdwang bestond uit het verwijderen van een huisvuilzak die niet via de voorgeschreven inzamelvoorziening was aangeboden.

Appellant voerde aan dat vanwege psychische klachten hem niet verweten kon worden dat hij het afval onjuist aanbood en dat het college ten onrechte niet om een medische verklaring had gevraagd. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het aan appellant was om zijn stelling aannemelijk te maken, hetgeen hij niet heeft gedaan. Het enkele aanbod om een medische verklaring te overleggen was onvoldoende.

De Afdeling concludeerde dat het college in redelijkheid bestuursdwang kon toepassen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot spoedeisende bestuursdwang wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201303729/1/A4.
Datum uitspraak: 4 december 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te Den Haag,
en
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 23 januari 2013 heeft het college zijn beslissing om op 4 januari 2013 spoedeisende bestuursdwang jegens [appellant] toe te passen wegens het door [appellant] in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag (hierna: de Afvalstoffenverordening) aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang (in totaal € 119,00) voor rekening van [appellant] komen.
Bij besluit van 12 april 2013 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2013, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.G.C. Wijsman en W.R. Liefden, beiden werkzaam bij de gemeente, is verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 4, tweede lid, van de Afvalstoffenverordening kan het college aanwijzen via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt.
Ingevolge artikel 9, eerste lid, is het de gebruiker van een perceel, voor wie krachtens artikel 4, tweede lid, een inzamelvoorziening is aangewezen, verboden de huishoudelijke afvalstoffen anders aan te bieden dan via de betreffende inzamelvoorziening.
2. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een huisvuilzak met huishoudelijke afvalstoffen die op 4 januari 2013 is aangetroffen ter hoogte van het Regentesseplein 229 te Den Haag. Dit plein is gelegen in een gebied waar ter inzameling van huishoudelijke afvalstoffen gebruik moet worden gemaakt van ondergrondse restafvalcontainers.
Vast staat dat [appellant] zijn huisvuilzak in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Afvalstoffenverordening ter inzameling heeft aangeboden.
3. [appellant] betoogt dat het college niet in redelijkheid bestuursdwang heeft kunnen toepassen, nu hem vanwege zijn psychisch klachten niet kan worden verweten dat hij de huisvuilzak onjuist ter inzameling heeft aangeboden. Hij voert daartoe aan dat het college zich bij het bestreden besluit ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat hij klachten heeft. [appellant] stelt dat hij in zijn bezwaarschrift te kennen heeft gegeven dat hij desgevraagd een medische verklaring kan overleggen en dat het college daar ten onrechte niet om heeft verzocht.
4. De Afdeling overweegt dat het aan [appellant] was om zijn stelling dat hij psychische klachten heeft, aannemelijk te maken. [appellant] heeft dit in bezwaar noch in beroep gedaan. Het college heeft aan het enkele aanbod van [appellant] om met een medische verklaring aan te tonen dat hij psychische klachten heeft, voorbij kunnen gaan. [appellant] had die verklaring kunnen overleggen zonder dat het college daarom heeft verzocht, maar heeft dat nagelaten.
Gelet op het vorenoverwogene ligt in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geen grond voor het oordeel dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten spoedeisende bestuursdwang jegens hem toe te passen.
Het betoog faalt.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W. Sorgdrager, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van staat.
w.g. Sorgdrager w.g. Van Heusden
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2013
163-778.