ECLI:NL:RVS:2013:242
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring: onrechtmatige detentie en vergoeding toegekend
De vreemdeling werd op 11 april 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. Tegen dit besluit stelde hij beroep in bij de rechtbank, die dit beroep op 29 mei 2013 ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State en verzocht tevens om schadevergoeding.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank niet spoedig genoeg had beslist over de rechtmatigheid van de detentie, zoals vereist door artikel 5, vierde lid, EVRM. De rechtbank had het onderzoek geschorst om aanvullende informatie op te vragen, maar deed dit niet met de vereiste voortvarendheid, waardoor de beslissing pas na 48 dagen viel. Dit maakte de bewaring onrechtmatig vanaf 13 mei 2013.
De Raad van State vernietigde de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct werd opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een vergoeding van €4.240 toegekend voor de periode van onrechtmatige bewaring en werden proceskosten van €1.748 toegewezen aan de vreemdeling.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid en de vreemdeling ontvangt een schadevergoeding.