ECLI:NL:RVS:2013:2570
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid hoger beroep vreemdeling tegen afwijzing verblijfsvergunning
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie op 27 november 2006 werd afgewezen. Na een bezwaarprocedure werd het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard bij besluit van 22 februari 2012. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het bestreden besluit, waarna zowel de staatssecretaris als de vreemdeling hoger beroep instelden.
In het hoger beroep oordeelde de Afdeling dat het hoger beroep van de vreemdeling kennelijk ongegrond was, omdat de aangevoerde argumenten geen vragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling. Het hoger beroep van de staatssecretaris was gegrond, omdat het BMA-advies waarop het bestreden besluit was gebaseerd, voldoende zorgvuldig en inzichtelijk was, ondanks de door de huisarts geuite twijfels over de toegankelijkheid en kwaliteit van de medische zorg in het land van herkomst.
De Afdeling overwoog dat de feitelijke toegankelijkheid van zorg niet tot de beoordeling van het BMA behoort en dat de staatssecretaris terecht dit standpunt volgde. De medische verklaringen van de vreemdeling waren onvoldoende actueel of overtuigend om het BMA-advies te weerleggen. De Afdeling vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde daarmee het hoger beroep van de staatssecretaris in het gelijk en wees het hoger beroep van de vreemdeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt afgewezen.