ECLI:NL:RVS:2013:2695
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel in Afghanistanzaak
De vreemdelingen hadden bij besluiten van 2 september 2011 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd, welke door de minister voor Immigratie en Asiel werden afgewezen. De rechtbank had deze besluiten vernietigd en de staatssecretaris opgedragen nieuwe besluiten te nemen. De staatssecretaris ging in hoger beroep.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris zich uitsluitend op de ongeloofwaardigheid van de ontsnapping van vreemdeling 1 had gebaseerd. De staatssecretaris had ook andere elementen betrokken en had zich terecht op het standpunt gesteld dat het asielrelaas onvoldoende positieve overtuigingskracht had. De Raad wees op het gebrek aan aannemelijkheid van de ontsnapping en de geringe waarde van de overgelegde documenten.
Verder werd geoordeeld dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met het feit dat meerdere bewakers betrokken waren bij de ontsnapping, waardoor het minder aannemelijk was dat zij allen zouden zijn omgekocht. Ook de authenticiteit van een handgeschreven ontslagbrief werd door de Raad terecht betwijfeld.
De Raad bevestigde dat de veiligheidssituatie in Afghanistan, en specifiek in de provincie Ghazni, niet zodanig uitzonderlijk is dat op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 bescherming geboden moet worden. Ook het argument dat België een ander beschermingsbeleid voert, leidde niet tot een andere beoordeling.
De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van hun verblijfsvergunning asiel bevestigd.