ECLI:NL:RVS:2013:2698
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op 14 februari 2012 werd afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt dat op 28 maart 2012 ongegrond werd verklaard. Vervolgens vaardigde de staatssecretaris op 13 november 2012 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling.
De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank tegen het besluit van 28 maart 2012 en tegen het inreisverbod. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het bezwaar ongegrond. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat het beroep tegen het besluit van 28 maart 2012 kennelijk gegrond was omdat de vreemdeling geen belang had bij de beoordeling van dat beroep vanwege het inreisverbod dat nog steeds van kracht was. Daarom vernietigde de Afdeling de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van 28 maart 2012 niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het inreisverbod werd naar de rechtbank terugverwezen voor behandeling en beslissing.
De Afdeling stelde tevens de proceskosten in beroep vast op €944,00 en bepaalde dat de rechtbank over de vergoeding van deze kosten dient te beslissen. De uitspraak werd gedaan op 23 december 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd, het beroep tegen het besluit niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het inreisverbod terugverwezen naar de rechtbank.