ECLI:NL:RVS:2013:1561
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen inreisverbod en terugkeerbesluit vreemdeling
De vreemdeling werd bij besluit van 18 september 2012 opgedragen de Europese Unie onmiddellijk te verlaten en kreeg een inreisverbod opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het terugkeerbesluit niet-ontvankelijk en verwees het beroep tegen het inreisverbod naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
In hoger beroep betoogde de vreemdeling onder meer dat het inreisverbod geen wettelijke grondslag had, onvoldoende zorgvuldig was voorbereid, het gehoor onjuist zonder zijn gemachtigde was gehouden, en dat de motivering van het inreisverbod ontoereikend was. De Raad overwoog dat het inreisverbod gebaseerd was op artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 en dat de staatssecretaris de vreemdeling voldoende gelegenheid had gegeven om bijzondere individuele omstandigheden aan te voeren.
De Raad verwierp de klachten over het ontbreken van een wettelijke grondslag, de voorbereiding van het besluit, het ontbreken van rechtsbijstand tijdens het gehoor en de motivering van de duur van het inreisverbod. Wel werd het deel van de uitspraak van de rechtbank vernietigd waarin het beroep tegen het inreisverbod gegrond werd verklaard, omdat de rechtbank dit onjuist had toegepast.
Uiteindelijk bevestigde de Raad het terugkeerbesluit en verklaarde het beroep tegen het inreisverbod ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bevestigd.