Art. 6:19 AwbArt. 8:81 AwbArt. 75 Flora- en faunawet
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen uitspraak over ontheffing steenuil en kerkuil
De zaak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening door de staatssecretaris van Economische Zaken tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die een besluit van de staatssecretaris vernietigde. Het besluit betrof de afwijzing van een ontheffingsverzoek van de gemeente Purmerend om het verbod op het beschadigen van voortplantings- of verblijfplaatsen van steenuil en kerkuil in het gebied Baanstee-Noord.
De rechtbank had geoordeeld dat het besluit van de staatssecretaris niet voldeed aan de eisen van artikel 75 vanPro de Flora- en faunawet en had het besluit vernietigd met de opdracht tot hernieuwde besluitvorming. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het aangevoerde geen reden gaf om de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren en dat het nieuwe besluit in het hoger beroep betrokken kan worden. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten aan de stichtingen die het beroep hadden ingesteld.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitspraak
201309489/2/A3.
Datum uitspraak: 23 december 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 vanPro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb), hangende het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Economische Zaken,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 28 augustus 2013 in zaak nr. 12/4623 in het geding tussen:
de stichtingen Stichting Baanstee Noord, NEE!, gevestigd te Middelie, gemeente Zeevang en Stichting Behoud Waterland, gevestigd te Broek in Waterland, gemeente Waterland (hierna: de stichtingen)
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2010 heeft de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (thans: de staatssecretaris), voor zover thans van belang, een verzoek van de gemeente Purmerend om ontheffing van het verbod op het beschadigen, vernielen of verstoren van voortplantings- of vaste rust- of verblijfplaatsen voor de steenuil en kerkuil in het gebied Baanstee-Noord afgewezen.
Bij besluit van 29 augustus 2012 heeft de staatssecretaris opnieuw op het door de stichtingen daartegen gemaakte bezwaar beslist en dat ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 augustus 2013 heeft de rechtbank het door de stichtingen daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en de staatssecretaris opgedragen binnen tien weken een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 19 december 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.C.Q. Bult, werkzaam bij het ministerie, en de stichtingen, vertegenwoordigd door mr. J.E. Dijk, advocaat te Haarlem, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de gemeente Purmerend, vertegenwoordigd door mr. J.R. van Angeren, advocaat te Amsterdam, als belanghebbende gehoord.
Overwegingen
1. Het verzoek strekt ertoe dat bij wijze van voorlopige voorziening wordt bepaald dat de staatssecretaris in afwachting van de uitspraak op het hoger beroep geen uitvoering aan de aangevallen uitspraak hoeft te geven.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de Afdeling de staatssecretaris in de uitspraak van 11 juli 2012 in zaak nr. 201104545/1/A3 heeft opgedragen om opnieuw op de bezwaren van de stichtingen te beslissen en het eerder door hem genomen besluit van 29 maart 2012 heeft vernietigd. Met het naar aanleiding van die uitspraak genomen besluit van 29 augustus 2012 heeft de staatssecretaris niet aan de opdracht van de Afdeling om de aanvraag aan de in artikel 75 vanPro de Flora- en faunawet gestelde eisen te toetsen voldaan. Het besluit vormt een herhaling van hetgeen de staatssecretaris als zijn standpunt over de steenuil en de kerkuil in het door de Afdeling vernietigde besluit van 29 maart 2012 heeft geformuleerd. Daarvoor bestond, gelet op de uitspraak van de Afdeling, echter niet langer ruimte, nu de situatie ter plaatse niet is gewijzigd, aldus de rechtbank.
3. Hetgeen de staatssecretaris heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven.
Onder die omstandigheden geeft het aangevoerde geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel dat uitspraken moeten worden uitgevoerd, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Het nieuw te nemen besluit kan voorts met toepassing van artikel 6:19 vanPro de Awb worden betrokken bij de behandeling van het ingestelde hoger beroep. De Afdeling kan, indien de aangevallen uitspraak niet bevestigd wordt, het door het college te nemen besluit vernietigen, indien daartoe aanleiding bestaat.
4. Gelet hierop, bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. wijst het verzoek af;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Economische Zaken tot vergoeding van bij de stichting Stichting Baanstee Noord, NEE! en de stichting Stichting Behoud Waterland in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van staat.