ECLI:NL:RVS:2013:3585
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J.W. Prins
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken rechtens te beschermen belang bij verblijfsvergunning asiel
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister op 15 mei 2012 werd afgewezen. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de rechtsgevolgen van het besluit bleven in stand.
Tegen deze uitspraak stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de procedure overlegde de staatssecretaris een Bericht van vertrek waarin stond dat de vreemdeling op 7 augustus 2012 zelfstandig zijn woonruimte had verlaten, vermoedelijk zonder contact met zijn gemachtigde.
De gemachtigde gaf aan geen contact meer te hebben met de vreemdeling en het ook niet gelukt was dit te herstellen, hoewel er nog een theoretisch belang zou kunnen zijn als het contact hersteld wordt. De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling kennelijk geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en daarom geen rechtens te beschermen belang heeft bij inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep.
Daarom verklaarde de Afdeling bestuursrechtspraak het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een rechtens te beschermen belang.