ECLI:NL:RVS:2013:440
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herzieningsbesluit kinderopvangtoeslag 2009 wegens strijd met artikel 21 Awir
De Belastingdienst had de kinderopvangtoeslag die aan appellante over 2009 was toegekend, herzien en vastgesteld op nihil, en het teveel betaalde teruggevorderd. Tevens werd het voorschot over 2010 gewijzigd vastgesteld op nihil. Appellante maakte bezwaar tegen deze besluiten, dat door de rechtbank werd afgewezen. In hoger beroep stelde zij dat de Belastingdienst niet van het definitieve besluit over 2009 mocht terugkomen.
De Raad van State oordeelde dat de definitieve vaststelling van de toeslag over 2009 op 2 mei 2011 een bindend karakter had gekregen. De herziening kon alleen plaatsvinden op grond van artikel 21 Awir Pro, maar de Belastingdienst had niet aannemelijk gemaakt dat zij redelijkerwijs niet op de hoogte kon zijn van het ontbreken van bewijs van betaling en schriftelijke overeenkomst bij de definitieve vaststelling. Ook was niet voldaan aan de voorwaarden voor herziening op grond van artikel 21 Awir Pro.
Ten aanzien van 2010 oordeelde de Afdeling dat appellante onvoldoende bewijs had geleverd van een schriftelijke overeenkomst voor de opvang van haar tweede kind, hetgeen noodzakelijk is voor het recht op toeslag. Het hoger beroep werd gegrond verklaard voor 2009, het herzieningsbesluit vernietigd en het eerdere besluit herleefde. Voor het overige werd de uitspraak bevestigd. De Belastingdienst werd tevens veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het herzieningsbesluit over 2009 wordt vernietigd en het eerdere besluit herleeft, het overige wordt bevestigd.