ECLI:NL:RVS:2013:880
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.D.M. van Diepenbeek
- E. Steendijk
- R. Uylenburg
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroepen tegen last onder dwangsom en invordering bodemverontreiniging Rotterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam legde de erven van een overledene een last onder dwangsom op om een ernstig geval van bodemverontreiniging op een perceel te saneren. De erven, die de nalatenschap beneficiair hadden aanvaard, stelden zich op het standpunt dat zij niet als erfgenamen konden worden aangemerkt en betwistten de noodzaak en rechtmatigheid van de sanering en de last.
De Raad van State oordeelde dat alle appellanten als erfgenamen moeten worden beschouwd en dat het perceel eigendom is van de nalatenschap. Het college had terecht vastgesteld dat sprake was van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvoor spoedige sanering noodzakelijk is, en dat de last onder dwangsom rechtsgeldig was opgelegd. De bezwaren tegen de inhoud en de redelijkheid van de last faalden.
Daarnaast werd het invorderingsbesluit van de verbeurde dwangsom bevestigd, omdat niet tijdig met de sanering was gestart. Het enkele feit dat het perceel was afgezet met een hek werd niet aangemerkt als aanvang van de sanering. De beroepen tegen het invorderingsbesluit werden eveneens ongegrond verklaard. Er was geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen tegen de last onder dwangsom en het invorderingsbesluit worden ongegrond verklaard.