ECLI:NL:RVS:2013:932
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige terecht is afgewezen wegens ontbreken wezenlijk Nederlands belang
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie wees op 14 december 2010 de aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als zelfstandige af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 17 januari 2011 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het beleid inzake Turkse zelfstandigen en de informatieplicht van de staatssecretaris had beoordeeld. De staatssecretaris had de vreemdeling adequaat geïnformeerd over de benodigde stukken, waaronder een ondernemingsplan en aanvullende analyses, en een termijn gegeven om deze aan te leveren. Het standstill-beginsel werd niet geschonden.
Verder stelde de Raad vast dat het criterium van het wezenlijk Nederlands belang sinds 1973 geldt en dat het ontbreken van een economisch levensvatbare onderneming terecht leidt tot afwijzing. De vreemdeling had onvoldoende onderbouwing geleverd, ondanks de geboden mogelijkheid, waardoor de aanvraag terecht niet voor advies aan de minister van Economische Zaken werd voorgelegd.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning als zelfstandige is terecht afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing van het wezenlijk Nederlands belang.