ECLI:NL:RVS:2013:940
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling in vreemdelingenbewaring: onvoldoende motivering risico onttrekken toezicht
De vreemdeling werd op 20 juni 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel ongegrond en wees zijn verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling ging in hoger beroep en betoogde dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende had gemotiveerd waarom er een risico zou zijn dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken.
De Raad van State overwoog dat de staatssecretaris onvoldoende had toegelicht waarom uit de gronden voor de bewaring, zoals het ontbreken van een document als bedoeld in artikel 4.21 van het Vreemdelingenbesluit 2000, het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan, kon worden afgeleid dat de vreemdeling zich aan het toezicht zou onttrekken of de terugkeer zou ontwijken.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de motivering van de staatssecretaris te algemeen was en niet specifiek op de persoon van de vreemdeling was toegespitst. Hierdoor kon het risico niet worden afgeleid en was de maatregel onrechtmatig. De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep van de vreemdeling gegrond verklaard en een schadevergoeding toegekend over de periode van bewaring.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de inbewaringstelling vernietigd wegens onvoldoende motivering van het risico op onttrekken aan toezicht.