ECLI:NL:RVS:2012:BW3351
Raad van State
- Hoger beroep
- R. van der Spoel
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid inbewaringstelling vreemdeling op grond van Vreemdelingenbesluit 2000
De vreemdeling, een burger van de Europese Unie met de Letse nationaliteit, werd in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 5.1a en 5.1b van het Vreemdelingenbesluit 2000. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad overwoog dat hoewel EU-burgers formeel niet onder de Terugkeerrichtlijn vallen, de artikelen 5.1a en 5.1b van het Vreemdelingenbesluit ook op hen van toepassing zijn om rechtsongelijkheid te voorkomen. De Raad benadrukte dat de voorwaarden voor inbewaringstelling nader moeten worden toegelicht, tenzij uit de aard van de bewaringsgrond het risico op onttrekking aan toezicht direct blijkt.
De strafbare feiten van de vreemdeling (winkeldiefstal en openbare dronkenschap) werden niet als relevant beschouwd voor het risico op onttrekking aan toezicht. De Raad hechtte zwaar aan de ongewenstverklaring en het feit dat de vreemdeling onvoldoende inspanningen had verricht om zijn vertrek te realiseren. Ook het ontbreken van een vaste woon- of verblijfplaats en het gebrek aan voldoende middelen vormden samen een voldoende grond om het risico op onttrekking aan toezicht aan te nemen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De Raad vond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling tegen zijn inbewaringstelling wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.