ECLI:NL:RVS:2013:946
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling onrechtmatig in bewaring gesteld wegens te vroege inbewaringstelling
De vreemdeling werd op 10 juli 2013 in vreemdelingenbewaring gesteld nadat zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning was afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond, maar de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de uitleg van de vertrektermijn van vier weken zoals bedoeld in artikel 62 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en de aanvang van de beroepstermijn volgens artikel 6:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De vreemdeling stelde dat de vertrektermijn gelijktijdig met de beroepstermijn begint, namelijk de dag na de bekendmaking van het terugkeerbesluit.
De Raad van State oordeelde dat de vertrektermijn inderdaad start op de dag na de bekendmaking van het terugkeerbesluit en dat de staatssecretaris daarom niet bevoegd was om de vreemdeling op 10 juli 2013 in bewaring te stellen, omdat de vier weken nog niet waren verstreken. De inbewaringstelling was daarmee onrechtmatig.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de vrijheidsontnemende maatregel per direct wordt opgeheven. Tevens werd aan de vreemdeling een vergoeding toegekend voor de periode van onrechtmatige bewaring en werden proceskosten aan de staatssecretaris opgelegd.
Uitkomst: De inbewaringstelling van de vreemdeling wordt opgeheven omdat deze te vroeg plaatsvond binnen de wettelijke vertrektermijn.