ECLI:NL:RVS:2009:BK1638
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Vreemdelingenbewaring en vertrektermijn bij uitzetting volgens Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft het hoger beroep van een vreemdeling tegen de beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage die de inbewaringstelling door de staatssecretaris van Justitie had bevestigd. De vreemdeling was op 25 augustus 2009 in vreemdelingenbewaring gesteld terwijl de wettelijke vertrektermijn van vier weken nog niet was verstreken.
De Raad van State overweegt dat de bevoegdheid tot inbewaringstelling afhankelijk is van de bevoegdheid tot uitzetting. Omdat niet is gebleken dat de staatssecretaris de vertrektermijn met toepassing van artikel 62, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 had verkort, was de inbewaringstelling op 25 augustus 2009 onrechtmatig. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond.
Daarnaast wordt de vreemdeling een schadevergoeding toegekend voor de periode van 25 augustus tot 1 oktober 2009, de dag waarop de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven. De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak bevestigt het belang van naleving van de wettelijke vertrektermijn en de voorwaarden voor inbewaringstelling in vreemdelingenrecht.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling gegrond omdat de inbewaringstelling vóór het verstrijken van de wettelijke vertrektermijn onrechtmatig was.