ECLI:NL:RVS:2013:BY7978

Raad van State

Datum uitspraak
2 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201210699/1/A1 en 201210699/2/A1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:86 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit college over beëindiging strijdig gebruik illegale woning in Eersel

Het college van burgemeester en wethouders van Eersel heeft appellante gelast om binnen zes weken het strijdige gebruik van een illegale woning op een perceel in Eersel te beëindigen, onder oplegging van een dwangsom. Na bezwaar en beroep heeft de voorzieningenrechter het besluit deels vernietigd vanwege de hoogte van de dwangsom en het niet toekennen van een vergoeding voor bezwaarbehandeling. Appellante stelde hoger beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.

De Raad van State oordeelt dat nader onderzoek niet nodig is en dat met toepassing van artikel 8:86 Awb Pro direct uitspraak kan worden gedaan. Het geschil spitst zich toe op de lengte van de begunstigingstermijn. Appellante betoogde dat deze te kort was omdat zij nog geen vervangende woonruimte had, maar de Raad stelt dat de totale termijn van ongeveer één jaar voldoende is en dat er geen zekerheid is dat zij per 1 maart 2013 over vervangende woonruimte beschikt.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep en verzoek om voorlopige voorziening van appellante worden afgewezen en het besluit van het college bevestigd.

Uitspraak

201210699/1/A1 en 201210699/2/A1.
Datum uitspraak: 2 januari 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek van [appellante], wonend te Eersel, om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van Pro die wet, op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Eersel,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 12 oktober 2012 in zaak nrs. 12/1993 en 12/1891 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Eersel.
Procesverloop
Bij besluit van 8 november 2011 heeft het college [appellante] gelast om binnen zes weken na verzending van het besluit het strijdige gebruik van de illegale woning op het perceel [locatie] te Eersel te beëindigen en beëindigd te houden, onder oplegging van een dwangsom.
Bij besluit van 16 februari 2012 heeft het college, voor zover hier van belang, de dwangsom verlaagd.
Bij besluit van 24 mei 2012 heeft het college het door [appellante] tegen het besluit van 8 november 2011 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 oktober 2012 heeft de voorzieningenrechter het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en dit besluit vernietigd voor zover het college het besluit van 8 november 2011 niet heeft herroepen, gelet op de verlaging van de dwangsom, en [appellante] een vergoeding van de door haar gemaakte kosten voor de behandeling van het bezwaar heeft onthouden. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. [appellante] heeft de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 november 2012, waar [appellante] en het college, vertegenwoordigd door mr. P.M.H.M. Bakermans, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.
Overwegingen
1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.
2.    Het geschil spitst zich toe op de lengte van de begunstigingstermijn.
3.    [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college een te korte begunstigingstermijn heeft toegepast. [appellante] voert daartoe aan dat zij nog geen vervangende woonruimte heeft en verwacht deze per 1 maart 2013 te hebben.
3.1.    Het besluit van 8 november 2011 is hangende bezwaar door de voorzieningenrechter geschorst tot en met zes weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar. Het college heeft vervolgens hangende beroep de begunstigingstermijn verlengd tot drie weken na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 oktober 2012.
De begunstigingstermijn strekt ertoe de overtreding op te heffen, waarbij als uitgangspunt geldt dat deze niet wezenlijk langer mag worden gesteld dan noodzakelijk is om de overtreding te kunnen opheffen. Er is geen grond voor het oordeel dat een termijn van in totaal ongeveer één jaar vanaf het besluit van 8 november 2011 onvoldoende is om aan de last te voldoen. De omstandigheid dat [appellante] nog geen vervangende woonruimte heeft vormt geen grond voor het oordeel dat de begunstigingstermijn ontoereikend is. Het college hoefde in de enkele stelling van [appellante] dat zij per 1 maart 2013 over vervangende woonruimte zal beschikken geen aanleiding te zien om de begunstigingstermijn nogmaals te verlengen, nog daargelaten dat ter zitting is komen vast te staan dat er geen zekerheid bestaat dat [appellante] per die datum over vervangende woonruimte beschikt.
Het betoog faalt.
4.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.
6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.    wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kos, ambtenaar van staat.
w.g. Wortmann    w.g. Kos
voorzitter    ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2013
580.