Uitspraak
200306663/1), vangt de termijn voor het maken van bezwaar, ingeval van rechtswege vergunning is verleend, aan met ingang van de dag na die, waarop de beslistermijn is geëindigd.
200501517/1), dient een belanghebbende, niet zijnde de aanvrager, die van het verlenen van een vergunning niet schriftelijk op de hoogte is gesteld en waarvan geen publicatie in een huis-aan-huisblad heeft plaatsgevonden, zijn bezwaren uiterlijk binnen twee weken, nadat hij van het bestaan van de vergunning op de hoogte is geraakt, kenbaar te maken, om de termijnoverschrijding verschoonbaar te kunnen achten. Dit betekent dat [appellant], nu niet in geschil is dat de brief van 8 juni 2010 hem op 14 juni 2010 is toegezonden, uiterlijk op 28 juni 2010 tegen de van rechtswege verleende bouwvergunning bezwaar kon maken. Die termijn heeft hij, naar hij stelt door de onjuiste rechtsmiddelenvoorlichting in de brief van 8 juni 2010, overschreden.
201010355/1/H2leidt niet tot een ander oordeel, nu deze ziet op een situatie, waarin geen rechtsmiddelenvoorlichting was gegeven.
200103396/1 en 200105173/1) en 28 september 2005 (zaak nr.
200405903/1) de besluiten tot goedkeuring van het bestemmingsplan van 5 juni 2001 en 1 juni 2004 met betrekking tot artikel 1, aanhef en onder n, en artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften heeft vernietigd, niet dat het bestemmingsplan voor het perceel niet geldt, maar dat het in rechte onaantastbaar is geworden, met uitzondering van de planonderdelen, waaraan goedkeuring is onthouden (uitspraak van 21 oktober 2009 in zaak nr.
200809331/1/H1). Het perceel is in de beslissing van de uitspraak van 27 augustus 2003 bij de plandelen, ten aanzien waarvan het besluit tot goedkeuring is vernietigd en ten aanzien waarvan goedkeuring is onthouden, niet vermeld.
200702131/1) ongegrond werd verklaard, is voorzien in een definitieve bestemmingsregeling voor het perceel. Voor beantwoording van de vraag of aan het einde van de hiervoor onder 3.2 vermelde beslistermijn van rechtswege bouwvergunning is ontstaan, dient het bouwplan te worden getoetst aan het bestemmingsplan, zoals dat na het besluit van het college van gedeputeerde staten van 30 januari 2007 is gaan gelden.
201104014/1/A1), kan de productiegerichte paardenhouderij op het perceel als een agrarisch bedrijf worden aangemerkt, zodat het bouwplan in zoverre niet met het bestemmingsplan in strijd is. Het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat ter plaatse geen reëel agrarisch bedrijf aanwezig is faalt.