ECLI:NL:RVS:2013:BZ0412

Raad van State

Datum uitspraak
28 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
201112190/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • E. Steendijk
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:72 AwbArt. 67 Vw 2000Richtlijn 2004/38/EGArt. 1612/68 EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak over ongewenstverklaring vreemdeling op grond van EU-recht

De vreemdeling werd door de staatssecretaris van Justitie ongewenst verklaard bij besluit van 7 augustus 2008, en dit werd bevestigd bij besluit van 24 november 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De Afdeling overweegt dat het bezit van de Nederlandse nationaliteit niet afdoet aan de rechten die de echtgenoot van de vreemdeling als burger van een andere lidstaat aan het Unierecht ontleent. Omdat de echtgenoot gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, is de richtlijn 2004/38/EG op de vreemdeling van toepassing. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet erkend.

Daarom is het hoger beroep kennelijk gegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van 24 november 2009 in stand zijn gelaten. De staatssecretaris heeft onterecht gesteld dat de richtlijn niet van toepassing is en de rechtsgevolgen van het besluit kunnen niet worden gehandhaafd.

De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling. De overige aangevoerde gronden behoeven geen bespreking.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring worden niet in stand gelaten.

Uitspraak

201112190/1/V2.
Datum uitspraak: 28 januari 2013
Raad van State
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 31 oktober 2011 in zaak nr. 09/46039 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de minister voor Immigratie en Asiel.
Procesverloop
Bij besluit van 7 augustus 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie, voor zover thans van belang, de vreemdeling ongewenst verklaard.
Bij besluit van 24 november 2009 heeft de staatssecretaris van Justitie het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 31 oktober 2011 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister, thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de staatssecretaris), heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorgangers.
2. In de eerste, tweede en derde grief klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte aanleiding heeft gezien de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 24 november 2009 in stand te laten, omdat de gezinshereniging tussen haar en haar echtgenoot gezien moet worden als een zuivere interne situatie die enkel wordt beheerst door het nationale recht. Daartoe betoogt zij onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011 in zaak nr. 201011940/1/V1 (www.raadvanstate.nl) dat het verkrijgen van de Nederlandse nationaliteit niet af kan doen aan de rechten die haar echtgenoot aan zijn hoedanigheid van burger van een andere lidstaat aan het Unierecht ontleent. Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden tot wijziging van verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG (PB 2004 L 158) (hierna: de richtlijn) is op haar, als zijn echtgenote, van toepassing, aldus de vreemdeling.
2.1. Niet in geschil is dat de echtgenoot van de vreemdeling tot aan zijn naturalisatie in Nederland heeft verbleven, terwijl hij in het bezit was van de Italiaanse nationaliteit, en hij in die hoedanigheid gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer. In 1998 heeft hij de Nederlandse nationaliteit verkregen en sindsdien verblijft hij in Nederland met zowel de Nederlandse als de Italiaanse nationaliteit.
2.2. Zoals volgt uit voormelde uitspraak van de Afdeling van 2 november 2011, kan het bezitten van de Nederlandse nationaliteit niet afdoen aan de rechten die een hoofdpersoon aan zijn hoedanigheid van burger van een andere lidstaat aan het Unierecht ontleent. Voor die veronderstelling bestaat, gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie, geen grond (zie onder meer het arrest van 7 juli 1992, C-369/90, Micheletti, punten 10 en 11, het arrest van 2 oktober 2003, C-148/02, Garcia Avello, punt 28, en - in het kader van het besluit nr. 1/80 van de Associatieraad EEG Turkije van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de Associatie - het arrest van 29 maart 2012 in gevoegde zaken C-7/10 en C 9/10, Kahveci en Inan, punt 41; www.curia.europa.eu). Nu niet in geschil is dat de echtgenoot van de vreemdeling gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, is de richtlijn, anders dan de rechtbank heeft overwogen, op de vreemdeling van toepassing. De grieven slagen.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 24 november 2009 in stand zijn gelaten. Hetgeen voor het overige daartegen is aangevoerd, behoeft geen bespreking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, onderzoekt de Afdeling of er alsnog aanleiding is om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten.
3.1. In het besluit van 24 november 2009 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat de vreemdeling geen rechten kan ontlenen aan het Unierecht en zij ongewenst wordt verklaard op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000. Reeds omdat de staatssecretaris zich bij het besluit van 24 november 2009, gelet op hetgeen onder 2.2. is overwogen, ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de richtlijn niet op de vreemdeling van toepassing is, is voor instandlating van de rechtsgevolgen van dat besluit geen plaats.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 31 oktober 2011 in zaak nr. 09/46039, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 24 november 2009 in stand zijn gelaten;
III. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 227,00 (zegge: tweehonderdzevenentwintig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady Pikart, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink
voorzitter w.g. Ahmady-Pikart
ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2013
638.
Verzonden: 28 januari 2013
Voor eensluidend afschrift,
de secretaris van de Raad van State,
mr. H.H.C. Visser