ECLI:NL:RVS:2013:BZ0412
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak over ongewenstverklaring vreemdeling op grond van EU-recht
De vreemdeling werd door de staatssecretaris van Justitie ongewenst verklaard bij besluit van 7 augustus 2008, en dit werd bevestigd bij besluit van 24 november 2009. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overweegt dat het bezit van de Nederlandse nationaliteit niet afdoet aan de rechten die de echtgenoot van de vreemdeling als burger van een andere lidstaat aan het Unierecht ontleent. Omdat de echtgenoot gebruik heeft gemaakt van zijn recht van vrij verkeer, is de richtlijn 2004/38/EG op de vreemdeling van toepassing. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet erkend.
Daarom is het hoger beroep kennelijk gegrond en wordt de uitspraak van de rechtbank vernietigd voor zover de rechtsgevolgen van het besluit van 24 november 2009 in stand zijn gelaten. De staatssecretaris heeft onterecht gesteld dat de richtlijn niet van toepassing is en de rechtsgevolgen van het besluit kunnen niet worden gehandhaafd.
De staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdeling. De overige aangevoerde gronden behoeven geen bespreking.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de rechtsgevolgen van het besluit tot ongewenstverklaring worden niet in stand gelaten.