ECLI:NL:RVS:2013:BZ1263
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- J.A. Hagen
- E. Helder
- F.C.M.A. Michiels
- Rechtspraak.nl
Vergunningverlening voor brandstofdiversificatie in kerncentrale Borssele bevestigd
Bij besluit van 24 juni 2011 verleende de minister een vergunning aan EPZ voor brandstofdiversificatie in de kerncentrale Borssele, waaronder het gebruik van MOX- en c-ERU-brandstof. Greenpeace en anderen en twee appellanten stelden beroep in tegen dit besluit. De Raad van State behandelde het beroep op 15 oktober 2012 en deed uitspraak op 13 februari 2013.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de appellanten die binnen 20 km van de kerncentrale wonen belanghebbenden zijn, maar dat een appellant die verder woont niet-ontvankelijk is. De Raad toetste de vergunning aan de Kernenergiewet, de Wet milieubeheer en het Besluit kerninstallaties, splijtstoffen en ertsen, en concludeerde dat de minister de vergunning zorgvuldig en gemotiveerd had verleend. Argumenten over onvoldoende kennis na de kernramp in Fukushima, onduidelijkheden over veiligheidsmarges bij 40% MOX-gebruik, en de toepassing van de PSA-methode werden verworpen.
Verder oordeelde de Raad dat de vergunningvoorschriften voldoende waarborgen bieden, dat de stralingsbelasting voor werknemers binnen wettelijke grenzen blijft, en dat de milieueffectrapportage adequaat is. Ook werd geoordeeld dat het Brzo niet van toepassing is vanwege de beperkte waterstofproductie. Ten slotte stelde de Raad vast dat de minister de rechtvaardiging van de vergunning op juiste gronden baseerde, waarbij de economische voordelen voor EPZ meewegen.
De beroepen werden ongegrond verklaard, en het beroep van een appellant niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen de vergunningverlening voor MOX- en c-ERU-brandstof in de kerncentrale Borssele zijn ongegrond verklaard en een beroep niet-ontvankelijk.