Uitspraak
200608226/1) voeren zij aan dat in strijd met artikel 7.23, eerste lid, sub b, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) het in het MER "Ontsluiting Houten, Herijking Alternatieven" (hierna: MER 2010) vervatte alternatievenonderzoek onvolledig is. Zij betogen dat in ieder geval een variant van het zogenoemde Meerpaalalternatief met een tracé strak langs de A27 had moeten worden meegenomen, nu dit volgens het MER A12 SALTO kenbaar minder nadelig is voor het milieu dan het RWT en de kosten hiervan vergelijkbaar zijn. Volgens de Stichting en anderen is ook door de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: commissie m.e.r.) onderschreven dat dit alternatief dient te worden meegenomen. Ter onderbouwing van hun betoog verwijzen zij naar het advies "Verbindingsweg Houten - A12. De juiste keuze voor het juiste probleem?" van verkeerskundig adviesbureau VMC Beleids- en Procesmanagement (hierna: het VMC-rapport) van 30 mei 2012. De Stichting en anderen voeren voorts aan dat niet is voldaan aan het advies van de commissie m.e.r. onder meer wat betreft het te maken onderscheid tussen lokaal, extern en doorgaand verkeer en het meenemen van de effecten van de planstudie A27 Hooipolder-Lunetten. In het bijzonder wijzen zij op het advies van de commissie m.e.r. om een duidelijke scheiding te maken tussen de onderdelen stap A en stap B in het MER 2010. De Stichting en anderen betogen verder dat het MER 2010 in strijd is met artikel 7.36a, onder b, van de Wm, nu de gegevens in het MER zijn verouderd.
200801853/1/R2) is de vraag welke alternatieven in een concrete situatie redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen, afhankelijk van de omstandigheden van het geval en moet deze mede worden beantwoord in het licht van artikel 7.23, eerste lid, onder e, van de Wm. Ingevolge die bepaling moet een MER onder meer een beschrijving bevatten van de gevolgen voor het milieu die de voorgenomen activiteit, onderscheidenlijk de beschreven alternatieven kunnen hebben. Uit de genoemde bepalingen, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat in een MER uitsluitend alternatieven hoeven te worden beschreven die, wat betreft de gevolgen voor het milieu die daarvan redelijkerwijs zijn te verwachten, mogelijk tot relevante verschillen kunnen leiden.
201011757/1/R1 en 201012728/1/R1. Uit de stukken en de toelichting ter zitting volgt dat de door de Stichting en anderen gewenste variant niet is meegenomen omdat Rijkswaterstaat hiermee niet kon instemmen. Dit blijkt volgens provinciale staten uit de planstudie Hooipolder-Lunetten. Daarnaast is van belang geacht dat de door de Stichting en anderen gewenste variant niet uitgaat van een rechtstreekse verbinding met de A27. Nu het realiseren van een rechtstreekse verbinding met de A27 voor de doelstelling van het project evenwel van belang is, is gekozen voor de variant van het Meerpaalalternatief die voorziet in de meest rechtstreekse verbinding. Hetgeen is aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat deze zogenoemde trechtering van alternatieven onredelijk is. Hiertoe is van belang dat de stukken van de Stichting en anderen, waaronder het VMC-rapport, niet met feiten en omstandigheden onderbouwen dat de door hen gewenste variant verschilt van de variant van het Meerpaalternatief die wel is meegenomen in die zin dat deze variant tot relevante verschillen in milieugevolgen kan leiden.
200908736/1/M2. Dat in de betreffende stukken staat vermeld dat er een evaluatieprogramma zou zijn op het moment van vaststelling van het inpassingsplan, wat daar ook van zij, kan dan ook niet tot een andere conclusie leiden. Het betoog faalt.
201005138/1/R3overweegt de Afdeling dat voor het antwoord op de vraag of een belang een provinciaal belang is, bepalend is of het belang zich leent voor behartiging op provinciaal niveau vanwege de daaraan verbonden bovengemeentelijke aspecten. In dit verband is van belang dat het RWT tot doel heeft de verkeersdruk te doen afnemen en de verkeersveiligheid en leefbaarheid in de regio te doen toenemen. Ook is van betekenis dat de ontsluiting van Houten onderwerp is van provinciaal beleid. Zo is in de Structuurvisie vermeld dat onderzoek wordt gedaan naar een extra ontsluiting van Houten richting de A12 bij Bunnik. Een verbindingsweg is in dit kader opgenomen als gewenste ruimtelijke ontwikkeling. Verder is in het Strategisch Mobiliteitsplan vermeld dat provinciale staten verkeerskundig gezien een voorkeur hebben voor een meerzijdige ontsluiting van Houten op het stroomwegennet, nu dit de bereikbaarheid van de bestaande ontsluiting De Staart en de N409 ten goede komt. Om die reden willen provinciale staten, zo volgt uit het Strategisch Mobiliteitsplan, de mogelijkheid voor een verbeterde verbinding met de huidige, eventueel aan te passen aansluiting op de A12 bij Bunnik openhouden en onderzoeken. Voorts is van belang dat het RWT op het grondgebied van de gemeente Houten en de gemeente Bunnik ligt, zodat ook hieruit een bovengemeentelijke betekenis volgt. De Afdeling is dan ook van oordeel dat provinciale staten zich de met het plan gemoeide belangen als provinciaal belang hebben mogen aantrekken. Het betoog faalt.