ECLI:NL:RVS:2013:BZ1331
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen voortduren vreemdelingenbewaring wegens schending spoedige beslissing EVRM
De vreemdeling was in vreemdelingenbewaring gesteld bij besluit van 11 februari 2012. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze bewaring. De rechtbank wees dit beroep op 9 november 2012 ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling overwoog dat artikel 5, vierde lid, van het EVRM het recht op een spoedige rechterlijke beslissing over de rechtmatigheid van detentie garandeert. De rechtbank had echter pas na 67 dagen uitspraak gedaan, wat onverenigbaar is met het vereiste van spoedige beslissing. Gezien de geringe complexiteit van de zaak en het ontbreken van rechtvaardiging voor de vertraging, was sprake van een ernstige schending van fundamentele rechtsbeginselen.
De Afdeling nam daarom het hoger beroep in behandeling, ondanks dat de Vreemdelingenwet dit niet toestaat, verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond. Omdat de bewaring inmiddels was opgeheven, werd geen bevel tot invrijheidstelling gegeven. Wel werd aan de vreemdeling een vergoeding toegekend over de periode dat de bewaring onrechtmatig was, alsmede een vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en een vergoeding toegekend wegens onrechtmatige voortzetting van vreemdelingenbewaring.