ECLI:NL:RVS:2013:BZ2316
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende bewijs vaste en regelmatige inkomsten
De vreemdeling diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, die door de minister werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van vaste en regelmatige inkomsten. De vreemdeling had slechts één bankafschrift overgelegd met een positief saldo, wat volgens de staatssecretaris niet volstond om aan te tonen dat hij aan de inkomenseis voldeed.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, maar de staatssecretaris stelde hoger beroep in. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris niet in strijd met de Awb had gehandeld door af te zien van het horen van de vreemdeling, omdat het bezwaar geen kans bood op een ander besluit.
De Raad stelde vast dat het bankafschrift niet duidelijk maakte wat de bron van de inkomsten was en dat de vreemdeling niet had voldaan aan de vereiste van vaste en regelmatige inkomsten zoals bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 en de relevante EU-richtlijn. Het beroep van de vreemdeling werd ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Verder faalden de argumenten van de vreemdeling dat het besluit onrechtmatig was vanwege beleidsregels, het niet accepteren van het bankafschrift als bewijsmiddel, en het beroep op het evenredigheidsbeginsel en Europese arresten die op Unieburgers zien.
De Raad van State bevestigde daarmee de afwijzing van de verblijfsvergunning en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.