ECLI:NL:RVS:2013:BZ2322
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling onrechtmatigheid voortzetting vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling na afwijzing asielaanvraag
De vreemdeling werd op 21 februari 2012 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd nadat hem de toegang tot Nederland was geweigerd. Na afwijzing van zijn asielaanvraag op 1 maart 2012 werd de maatregel voortgezet. De rechtbank oordeelde dat de voortzetting gerechtvaardigd was vanwege meerdere feiten en omstandigheden, waaronder het ontbreken van vaste woon- en verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde echter vast dat artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn, dat voorwaarden stelt aan de oplegging en voortzetting van vrijheidsontnemende maatregelen, niet volledig is geïmplementeerd in de nationale wetgeving. Hierdoor kan een vrijheidsontnemende maatregel alleen worden voortgezet indien de vreemdeling de voorbereiding van terugkeer of verwijdering ontwijkt of belemmert.
In deze zaak waren de omstandigheden onvoldoende om te concluderen dat de vreemdeling dit deed. Het grensbewakingsbelang alleen is onvoldoende grond voor voortzetting zolang de richtlijn niet is geïmplementeerd. De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het hoger beroep gegrond en kende de vreemdeling een vergoeding toe over de periode van voortzetting van de maatregel na 1 maart 2012.
Uitkomst: De voortzetting van de vrijheidsontnemende maatregel na afwijzing van de asielaanvraag was onrechtmatig en het hoger beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard.