ECLI:NL:RVS:2011:BV0964
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid vrijheidsontnemende maatregel op grond van Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft een vreemdeling aan wie op 1 juli 2011 de toegang tot Nederland werd geweigerd op grond van artikel 3 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Vervolgens werd op 2 juli 2011 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van artikel 6 van Pro dezelfde wet, die later werd voortgezet. De vreemdeling had een aanvraag tot verblijfsvergunning asiel ingediend, die op 11 juli 2011 werd afgewezen.
De vreemdeling voerde aan dat de vrijheidsontnemende maatregel onrechtmatig was en dat hij de voorbereiding van terugkeer of verwijderingsprocedure niet ontwijkt of belemmert, zoals vereist onder artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn. Hij stelde dat hij rechtmatig verblijf had verkregen door zijn asielaanvraag en dat hij gedocumenteerd was, met een nüfus-kaart om terug te keren.
De Raad van State overwoog dat de Terugkeerrichtlijn sinds 11 juli 2011 op de vreemdeling van toepassing is en dat de vrijheidsontnemende maatregel mede dient ter voorbereiding van terugkeer en/of uitvoering van verwijderingsprocedure. De maatregel is niet louter bedoeld ter verhindering van binnenkomst. De vreemdeling had tijdens zijn reis naar Nederland zijn paspoort moedwillig vernietigd, wat duidt op het ontwijken van terugkeer. Er waren geen minder ingrijpende maatregelen mogelijk zonder het grensbewakingsbelang te schaden.
De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank dat de vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is en dat het beroep op artikel 15 van Pro de Terugkeerrichtlijn niet tot een ander oordeel leidt. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vreemdelingenwet 2000 is rechtmatig en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.