Uitspraak
200909916/1/R1) volgt dat in een provinciale verordening de verkrijging van ontheffing van het college van gedeputeerde staten niet als voorwaarde voor de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid kan worden voorgeschreven of opgelegd.
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer stelde op 30 oktober 2012 een wijzigingsplan vast voor de uitbreiding van een agrarisch bouwperceel aan een locatie te Westerbroek van 1 hectare naar 1,45 hectare. Het college van gedeputeerde staten van Groningen stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening.
De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State behandelde het verzoek op 21 januari 2013 en oordeelde dat het wijzigingsplan in strijd is met artikel 4.19a van de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009, dat een uitbreiding van agrarische bouwpercelen tot meer dan 1 hectare in de gemeente Hoogezand-Sappemeer verbiedt zonder ontheffing.
Hoewel het college van burgemeester en wethouders betoogde dat het bestemmingsplan onherroepelijk is en dat de wijzigingsbevoegdheid als gegeven mag worden beschouwd, oordeelde de voorzitter dat het verbod uit de omgevingsverordening ook van toepassing is op wijzigingsplannen. De voorzitter wees erop dat de mogelijkheid tot ontheffing niet zonder meer buiten toepassing kan worden gesteld.
Gelet op deze voorlopige beoordeling werd het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan geschorst en werd het griffierecht aan het college van gedeputeerde staten vergoed. De hoofdzaak zal spoedig worden behandeld.
Uitkomst: Het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan is geschorst wegens strijd met de Omgevingsverordening provincie Groningen 2009.