ECLI:NL:RVS:2013:BZ3751
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring wegens gebrek aan voortvarendheid bij mensenhandelzaak
De vreemdeling verbleef vanaf oktober 2012 in strafrechtelijke detentie en werd in december 2012 in vreemdelingenbewaring gesteld. Ondanks aanwijzingen dat zij mogelijk slachtoffer was van mensenhandel, werd zij pas op 18 december 2012 gewezen op de mogelijkheid om aangifte te doen, terwijl de Koninklijke Marechaussee dit al op 5 december 2012 wilde doen.
De staatssecretaris had de plicht om voortvarend te handelen om te voorkomen dat de vrijheidsontneming onredelijk lang duurde. Uit het dossier bleek dat tijdens de bewaring geen aanvullende handelingen waren verricht ter voorbereiding van de uitzetting en dat de vreemdeling niet tijdig was geïnformeerd over haar rechten als mogelijk slachtoffer.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris voldoende voortvarend had gehandeld, maar de Raad van State vernietigde deze uitspraak en verklaarde het beroep gegrond. De bewaring werd als onrechtmatig beoordeeld en de vreemdeling kreeg een vergoeding toegekend over de periode van 7 tot 18 december 2012. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig wegens onvoldoende voortvarendheid, met toekenning van een schadevergoeding.