ECLI:NL:RVS:2013:BZ8662
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens twijfel nationaliteit
De minister heeft op 26 oktober 2011 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht aan de minister een nieuw besluit te nemen. De minister, thans staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betreft de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de vreemdeling, met name zijn identiteit en nationaliteit. De staatssecretaris voerde aan dat de vreemdeling, die alleen Amhaars spreekt en niet het Tigrinya, zijn Eritrese nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. De voorzieningenrechter oordeelde dat het mogelijk is dat personen in Eritrea Amhaars spreken zonder Tigrinya te beheersen, en dat de staatssecretaris zich zonder nader onderzoek niet op dit standpunt kon stellen.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat de beoordeling van de geloofwaardigheid aan de staatssecretaris toekomt en slechts terughoudend door de rechter wordt getoetst. Gezien de bewijslast die bij de vreemdeling ligt en de motivering van de staatssecretaris, is er geen grond om te oordelen dat het standpunt van de staatssecretaris onredelijk is. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning gehandhaafd.