ECLI:NL:RVS:2013:BZ8674
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongeloofwaardigheid asielrelaas en afwijzing verblijfsvergunning in hoger beroep
De minister heeft op 29 maart 2012 een aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde.
De Afdeling bestuursrechtspraak toetste het hoger beroep en oordeelde dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het asielrelaas van de vreemdeling onvoldoende positieve overtuigingskracht bezit. Dit oordeel was gebaseerd op diverse vaagheden en ongerijmdheden in het relaas, zoals het ontbreken van de naam van een man die tassen met wapens in de winkel van de vreemdeling achterliet, en het ongerijmde gedrag van de vreemdeling na de gewelddadige dood van zijn schoonouders.
De Afdeling verwierp het oordeel van de voorzieningenrechter dat het relaas toch geloofwaardig was, mede omdat het aan de vreemdeling was om zijn aanvraag aannemelijk te maken. Daarnaast werd geoordeeld dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de veiligheidssituatie in Kandahar zodanig was dat hij recht had op een verblijfsvergunning op grond van artikel 29 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en de aanvraag van de vreemdeling voor een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen.