ECLI:NL:RVS:2013:BZ8682
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier wegens mvv-vereiste
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 17 oktober 2008 een aanvraag van vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Na een bezwaarprocedure handhaafde de minister dit besluit op 17 mei 2011. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen gegrond en vernietigde het besluit, waarna de minister hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank onvoldoende had onderkend dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat de vreemdelingen niet in aanmerking kwamen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. De rapporten van een orthopedagoog en het Bureau Medische Advisering werden door de minister meegewogen, en de medische situatie van de minderjarige vreemdeling 4 rechtvaardigde geen afwijking van het mvv-vereiste.
Daarnaast concludeerde de Raad dat de belangen van de minderjarige kinderen, waaronder vreemdeling 5, voldoende waren betrokken bij het besluit, conform artikel 3 en Pro 6 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). De Afdeling vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdelingen tegen het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.