ECLI:NL:RVS:2013:BZ8716
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- J. Verbeek
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens reeds verleende verblijfsvergunning
De vreemdeling had bij besluit van 8 februari 2012 een aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend, welke door de minister werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze afwijzing ongegrond. Hiertegen stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Tijdens de procedure informeerde de staatssecretaris de Afdeling dat de vreemdeling sinds 1 oktober 2012 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd had gekregen, geldig tot 1 oktober 2013. Hierdoor had de vreemdeling reeds rechtmatig verblijf op grond van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling overwoog dat het hoger beroep geen belang meer had omdat de vreemdeling met het hoger beroep haar doel niet kon bereiken zolang zij in het bezit was van een geldige verblijfsvergunning. Het belang bij beoordeling van het oorspronkelijke besluit ontstaat pas wanneer de verleende vergunning wordt ingetrokken of niet wordt verlengd. Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep niet-ontvankelijk en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van belang.